Soms
mag ik, o dat is een feest,
aan tedere kussen nippen,
maar ik leef, zo spreekt de snor bedeesd,
slechts tussen neus en lippen.
Soms
ben ik groot en dan weer klein,
men knipt mij leeg of vol
en de chinees hier op het plein,
die noemt mij zelfs een ‘snol’.
|