De
beefjes
kwaken – al zou men ’t niet zeggen –
En rake
stuivers zwijgen stil.
Er is een
vinger in de aardbei
Die de
kersenpap wel wil.
Ach!
Hoe mooi
is nu ’t vermanen
In de
vulling van het dui,
Klaproos
zuivert door de lanen,
Geniet de
zilverworm de granen?
Niets! Dan ijdelheid
en puin…
Aan
het
vertuigen van den distel
Ze thans de
basclaroen het zwerk
Hoort
zwijnenstal en veemstroop lispelen
’t Is toch
alles mensenwerk!
|